Meer woorden dan daden op top over informatiesamenleving · 19 december 2003

Geen solidariteitsfonds en wel een solidariteitsagenda, dat resultaat is typerend voor de uitkomst van de World Summit on the Information Society (WSIS) vorige week in Geneve.

De VN-top over de informatiesamenleving heeft meer opgeleverd dan vooraf verwacht werd. Tegen de verwachting in hebben de deelnemers aan de World Summit on the Information Society (WSIS) een Verklaring en een Actieplan ondertekend. Rechten als vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie zijn daarmee binnengehaald. Maar de meest hete hangijzers zijn vooruitgeschoven en het ontbreekt aan harde afspraken.

WSIS beoogde de toegang voor iedereen, overal tot de wereldwijde informatiesamenleving. De 176 deelnemende landen onderschreven en masse het belang van de bijeenkomst zonder dat spijkers met koppen werden geslagen of direct de beurs werd getrokken. Desalniettemin was de uitkomst meer dan vooraf werd verwacht. Tenslotte stonden de deelnemers in wisselende coalities vaak lijnrecht tegenover elkaar in halszaken als het internationale beheer van internet, het solidariteitsfonds voor de aanleg van infrastructuur, mensenrechten en bijvoorbeeld toezicht op de media.

Paul Maassen van Hivos en deelnemer aan de Nederlandse delegatie in Geneve, is tevreden over de Verklaring. “Het is een begin. Zaken als vrijheid van meningsuiting en het recht op toegang tot informatie staan prominent in de eerste paragraaf. De EU-deelnemers hebben daarin hun poot stijf gehouden. Het Actieplan echter is slecht. Daarin is van alles bij elkaar geveegd, lokale, nationale en internationale zaken, zonder dat daar verder samenhang in is aangebracht. Laat staan dat er een verdere invulling is gegeven aan de uitvoering.”

Ambitieus
De doelstellingen uit de Verklaring zijn ambitieus. Alle landen moeten inzetten op een ëe-strategyí, wat ertoe moet leiden dat in 2015 de helft van de wereldbevolking toegang heeft tot telefoon of internet. Alle dorpen, scholen en universiteiten, overheidsdiensten en bijvoorbeeld gezondheidsorganisaties moeten dan online zijn. Het leermateriaal moet ICT-gereed worden gemaakt, vrouwen en kansarme groepen in de samenleving moeten mee worden getrokken, en alle talen moeten op het web aan bod komen.

Hoe dat allemaal betaald moet worden, is niet ingevuld. Er wordt verwezen naar de ‘Monterrey-consensus’ waarin staat dat donorlanden minimaal 0,39 procent van hun BNP aan ontwikkelingssamenwerking moeten uitgeven. Nu is dat gemiddeld 0,30 procent.
Over een digitaal solidariteitsfonds kon geen overeenstemming worden bereikt. Een werkgroep moet een voorstel hiertoe voorbereiden voor de tweede WSIS in 2005 in Tunesie. Volgens Maassen is een dergelijk fonds echter geen voorwaarde voor succes. “De houding van de EU, Japan en de VS was niet dat ze geen geld willen geven, maar dat dat via de reguliere geldstromen moet gaan. Laat het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking dan extra geld oormerken voor bijvoorbeeld extra ICT-ondersteuning van zoiets als een Aids-voorlichtingsproject.”

Een woordvoerder van het ministerie van EZ wijst erop dat naast de mensenrechten en de waarborgen voor vrije media ook zaken als spam en cybercrime op de internationale agenda zijn gezet. “Voor spam geldt dat nu internationaal is erkend dat het moet worden aangepakt. Het is een goede zaak dat de top twee delen kent. Over het internationale beheer van internet bijvoorbeeld kan nu in de aanloop naar Tunesie worden verder gepraat.” Een aantal ontwikkelingslanden wil dat het beheer van internet bij de Verenigde Naties komt te liggen.

Gepubliceerd in Automatisering Gids van 19 december 2003.

, ,


* * *