Doelstellingen van Lissabon onder druk · 21 oktober 2004

Op de jaarlijkse Itea-conferentie toonden meer publiek-private onderzoeksconsortia dan ooit hun vindingen op gebied van ‘software intensieve systemen’. De Philipsen en Siemensen van deze wereld staan te popelen, maar de overheden houden de hand op de knip.

Gepubliceerd in Automatisering Gids, 21 oktober 2004

Het is tien uur ‘s avonds en nog bijna dertig graden op de binnenplaats van een statige Moorse villa in de middeleeuwse binnenstad van Sevilla. Francisco Vallejo Serranovan, de minister van innovatie van de deelregering van Andalusië, vertelt de genodigden tijdens het diner dat de zuidelijkste provincie van Spanje een voorhoederol in de internationale ICT-sector ambieert: Silicon Valley aan de Golf van Cadiz. Een economische sprong voorwaarts is geen gek idee: het heeft sinds maart geen druppel meer geregend in Sevilla en de broeikasgassen werpen donkere schaduwen over de toekomst van olijven- en druiventeelt.

Serieus
Maar hoe serieus klinkt deze ambitie als hij wordt uitgesproken in het Spaans omdat de minister geen woord Engels kent. Vallejo Serranovan heeft zojuist de ITEA Achievement Award 2004 overhandigd aan vertegenwoordigers van het Itea-project Electronics Architecture and Software Technology – Embedded Electronic Architecture (EAST-EEA).

Eerder die dag was bij een van de stands in het Casino de la Exposicion te zien waarmee het consortium van Volvo, Opel, de Franse en Duitse autofabrikanten, leveranciers als Siemens en Bosch, en een aantal universiteiten en onderzoeksinstellingen deze prijs had verdiend. In een laboratoriumopstelling vol onderdelen, remschijven en autoportieren, schermen en relais vertelde Thomas Thurner van Mercedes Benz Technology dat de samenwerkende partijen met de inzet van 250 manjaren en veertig miljoen euro in drie jaar tijd een open software architectuur hadden ontworpen voor in auto’s ‘embedded’ technologie.

“De grote uitdaging was de integratie van al die verschillende bedrijfseigen elektronische systemen, subsystemen en modules van verschillende leveranciers in een compleet netwerk. Het gaat om software in de verschillende domeinen: aandrijving, comfort, chassis, en ingebouwde telematica- en entertainmentvoorzieningen, maar ook over deze domeinen heen: programma’s voor energy-management, diagnose, en bijvoorbeeld routing en cruisecontrol.”

Middleware
Thurner vervolgt met uiteen te zetten dat de middleware centraal staat in combinatie met de gestandaardiseerde interface en de communicatielaag die ervoor zorgen dat ook alle reeds bestaande softwarecomponenten en nieuw te ontwikkelen software integreren via de databus. “We ontwikkelden een architecture description language, en gestandaardiseerde tools daarvoor, en een generiek software-ontwikkel proces waardoor de ontwikkeltijd voor nieuwe toepassingen aanmerkelijk wordt verkort.

Tegelijkertijd kan de omgeving worden vereenvoudigd omdat de softwarecomponenten nu ook meerdere taken van andere componenten kunnen uitvoeren en meerdere componenten kunnen worden samengevoegd op een control unit. Implementeren van nieuwe toepassingen wordt een routine en het upgraden van bestaande componenten kan zelfs draadloos op afstand.”

EAST-EEA is een duidelijk succesverhaal voor Itea. AUTOSAR, een conglomeraat van alle belangrijke autofabrikanten en -leveranciers, heeft de architectuur omarmd en gaat deze als standaard invoeren. Vanaf 2007 wordt deze technologie wereldwijd in auto’s geïmplementeerd.

Er is niet alleen goed nieuws op de jaarlijkse Itea-conferentie (Information Technology for European Advancement) in Sevilla. Itea is een achtjarig programma onder de Eureka-vlag dat R&D moet stimuleren op gebied van ‘embedded en gedistribueerde software’. Consortia van bedrijven, universiteiten en onderzoeksintellingen kunnen jaarlijks projectvoorstellen indienen die dan door de Itea-commissies worden beoordeeld. De deelnemers van goedgekeurde projecten moeten vervolgens bij hun overheid aankloppen voor een bijdrage in de kosten. En daar gaat het mis. Hoewel de deelnemende landen zich tot financiering hebben verplicht, komen ze in tijden van economische tegenwind niet allemaal zo makkelijk over de brug. Op de zevende ‘call’ kwamen meer reacties uit het bedrijfsleven dan bij de zes eerdere rondes. Van de 45 projectvoorstellen, goed voor 5414 manjaren, zijn er 21 (3448 manjaren) toegelaten tot de definitieve toetsing.

State of the art
Volgens Jean-Pierre Lacotte van het Itea-bestuur is de kwaliteit van de voorstellen hoger dan ooit: “Het gaat om ‘state of the art-technologie’ en de voorstellen vertonen samenhang met eerdere Itea-projecten en de projecten in de andere Europese R&D-programma’s zoals het zesde Kaderprogramma.”

De vraag is echter hoeveel projecten er werkelijk van de grond komen. De evaluatie van de resultaten tot nu toe laat zien dat het percentage projectvoorstellen dat ook werkelijk wordt uitgevoerd en afgerond over de laatste drie rondes omlaag gaat. Van de 35 aangemelde voorstellen van de vijfde ronde bijvoorbeeld werden er maar 14, ofwel 40 procent afgerond. In de vierde ronde was dat nog 67 procent en in de derde ronde 73 procent. Van de afgeblazen voorstellen kwam 65 procent niet van de grond omdat vanuit een of meer betrokken overheden geen geld kwam. Lacotte vreest dat in de vorig jaar gestarte zesde ronde de neergaande lijn wordt voortgezet.

Bij de start van Itea in 1999 was de doelstelling om in acht jaar 20.000 R&D-manjaren te realiseren. Na vijf van de acht ‘calls’ staat de teller op 5941 manjaar, goed voor 784 miljoen euro. Gemiddeld wordt 35 procent van de kosten door de overheden vergoed. Een vertrouwelijke ‘halverwege-evaluatie’ door TNO en het Franse IDATE adviseert voortzetting van Itea na in 2007 met een nieuwe periode van acht jaar omdat het programma redelijk succesvol is.

ICT-investering
Voorzitter Paul Mehring zet daarop in en verwacht bij een volgende conferentie in 2005 de definitieve aankondiging te kunnen maken van wat voorlopig gemakshalve maar Itea Next wordt genoemd. “Dit is een van de weinige software-gebieden waar Europa nog niet achterop is geraakt. De Amerikanen investeerden in 2001 maar liefst 315 miljard euro in ICT-onderzoek en -ontwikkeling, tegen 202 miljard in 1998. Voor de EU was dat respectievelijk 175 en 143 miljard euro. Als we niets doen zullen we ook op dit terrein de slag verliezen. Het percentage van het BNP dat naar R&D ging bedroeg voor de toetreding van de nieuwe lidstaten 2 in plaats van 3 procent zoals in het akkoord van Lissabon staat. Met de tien nieuwe leden krijgt de EU er ongeveer 75 miljoen inwoners bij. Hun uitgaven aan R&D op gebied van ICT bedroegen in 2001 slechts 3 miljard euro. Dan is het duidelijk dat de 3 procent van Lissabon nog verder weg is.”

, ,


* * *

Naam
E-mail
http://
Bericht
  Textile hulp