Software-kolonialisme in Bangalore · 1 juli 1999

Bangalore, het Silicon Valley van India, telt vele honderden software-bedrijven. Behalve de vestigingen van de buitenlandse reuzen, en enkele Indiase systeemhuizen, zijn het veelal kleinere bedrijven die software-codes schrijven in opdracht schrijven van buitenlandse bedrijven. Bangalore als bron van ‘human-resource’.

Gepubliceerd in Open Computing, 1999.

De jonge bezoekers van Internet-café Coffee Day hebben de vervelende gewoonte hun koffie en pizza-punten af te rekenen met honderd of zelfs vijfhonderd roepie biljetten. “Ze willen laten zien dat ze geld hebben,” moppert manager-barman Ajay Leo, die voortdurend zonder wisselgeld zit. Een espresso kost tien roepies, pakweg twee kwartjes, een donut het dubbele en voor een uurtje Internetten achter een van de vier pc’s moet dertig roepie worden betaald.
De jongens en meiden, die zich uiterlijk niet onderscheiden van het MTV-publiek in Europa, zijn typische representanten van de upper-middle class. Vooral in de Indiase steden vormt het inkomen een even scherpe scheidslijn als het kastensysteem. Voor het merendeel van de vijf miljoen inwoners van Bangalore, waarvan een groot deel niet eens het minimum loon van dertig roepies per dag verdient, is Coffee Day een onbereikbare voorpost van de Westers wereld.

Voor Leo, begin twintig, is het slechts een tussenstation. Hij gaat voor een carriére in de IT. “Ik wil beginnen met het ontwerpen van websites. Ik ben aan het sparen voor een pc en binnenkort krijg ik les van een vriend die bij een design-bureau werkt. Op die manier hoop ik een voet tussen de deur te krijgen. Ik wil niet in de horeca blijven hangen, en ik wil meer verdienen.”
Leo is niet de enige die een droom koestert. Bangalore telt naast de universiteiten en hogescholen vele honderden trainingsinstituten en opleidingen in de software-sector, variërend van instellingen waar de leerlingen keurig avond aan avond een jaar lang in de schoolbanken zitten tot software-engineers die een avond aan huis komen met een pc onder de arm. De spandoeken boven Commercial Street, waar Coffee Day op een bovenverdieping huist, prijzen Java- en C++ cursussen aan. Zelfs in de overvolle stegen die op de populaire winkelstraat uitkomen, en die het domein zijn van kleine handelaren in stoffen en levensmiddelen, straatverkopers en bedelaars, hangen overal plakkaten die een gouden toekomst beloven in de software.

Fortune 500
Software heeft Bangalore in zijn ban, en niet alleen de hoofdstad van de zuidelijke staat Karnataka. De software-industrie in heel India groeit met reuzensprongen. De sector was vorig jaar goed voor een omzet van 2,8 miljard dollar, een groei van zestig procent ten opzichte van het jaar ervoor. Negentig procent wordt verdiend met de export, voornamelijk naar de Verenigde Staten. Volgens de belangenvereniging van de Indiase software-industrie Nasscom besteden 142 van de Fortune 500-bedrijven tenminste een deel van hun software-ontwikkeling uit aan Indiase bedrijven. Bangalore neemt een groot deel van die cijfers voor zijn rekening. Inmiddels hebben alle grote namen als Microsoft, HP, IBM en SAP er vestigingen.

Het reservoir van elders schaarse, bekwame software-talenten, die bovendien ook nog eens goed Engels spreken en aanzienlijk minder salaris kosten, lokte veel buitenlandse computer-giganten naar Bangalore. Was het aanvankelijk aarzelend, inmiddels spelen de laboratoria van bijvoorbeeld Oracle en Novell een niet meer weg te denken rol binnen die bedrijven. Zo werd het besturingssysteem voor Oracle’s netwerkcomputer hier in twaalf dagen ontwikkeld, terwijl het lab in CaliforniÎ er na drie maanden nog niet uit was. Novell’s Directory Services for NT komt ook uit de keuken van de vestiging in Bangalore.

De stad prijst zich trots aan als het Silicon Valley van India. Ietwat overmoedig misschien, want het leeuwendeel van de productie omvat het schrijven van software-codes naar specificaties van de buitenlandse opdrachtgevers. Naar eigen Indiase programma’s en pakket-software is het zoeken met een vergrootglas op de internationale markt

Ook Philips is prominent aanwezig in Bangalore. Een van de twee vestigingen staat aan Infantry Road, in het drukke centrum van de stad. Aan het begin van de lange straat leunen lage pandjes tegen elkaar aan. Ze bieden onderdak aan meubelzaakjes, ijzerwinkels of uitdragerijen. Een enkele koe zoekt, zonder zich iets aan te trekken van de herrie en de giftige roetwolken van de ontelbare scooters, afgeladen vrachtwagens en bussen, naar iets eetbaars in het huisvuil dat her en der langs de weg ligt. Hoog in de lucht wachten rondcirkelende zwarte wouwen op hun beurt.

Maar naarmate de straat verder gaat worden de gebouwen hoger en de bewoners welvarender.
Helemaal aan het einde, tegenover een sjiek hotel en temidden van kapitale kantoren die (hoe kan het ook anders) voornamelijk software-bedrijven huisvesten, glanst het grotendeels glazen Philips House.
De elektronica-gigant uit Eindhoven opende hier drie jaar geleden ontwikkellaboratoria voor de software die gebruikt wordt in de apparatuur van de divisies business-electronics, consumer-electronics, medical systems en semi-conductors. Op dit moment biedt Philips er werk aan driehonderd software-ontwikkelaars, maar de verwachting is dat dat er over twee jaar duizend zijn.

General manager S. Nagarajan heeft Consumer Electronics onder zijn hoede. “Zestig procent van alle onderzoek die nodig is om bijvoorbeeld een televisie of een videorecorder te ontwikkelen, gaat naar de software. Dat is zogenaamde embedded software, voor bijvoorbeeld teletekst, beeldverwerkingsalgoritmes, of de userinterface. Philips zocht een team dat zich uitsluitend bezig kon houden met het creÎren van deze software. Wij in Bangalore zijn echte ‘software-people’. Je vindt nergens anders zoveel gekwalificeerde mensen.”

Contract-basis
Het lab in Bangalore is een verlengstuk van de productontwikkelcentra in bijvoorbeeld Eindhoven, Brugge en Singapore waar de televisies en dvd-spelers bedacht worden. Bovendien leidt de Indiase vestiging het onderzoek naar software-componenten die in verschillende types hardware kunnen worden gebruikt.
Nagarajan werkt sinds de oprichting in het Philips-lab. “Hiervoor werkte ik dertien jaar bij een software-huis, maar mijn ambitie lag in het ontwikkelen van software. De meeste Indiase bedrijven hier ontwikkelen geen eigen producten, ze werken op contractbasis voor buitenlandse opdrachtgevers. Slechts vijftien procent van de omzet komt uit pakket-software. Er is voldoende talent en het technologisch niveau is hier net zo hoog als in Amerika, maar er is geen geld voor onderzoek en ontwikkeling. Bovendien ontbreekt het aan de kennis van marketing en het opzetten van een support-infrastructuur.”

De internationale markt is volgens Nagarajan een onneembare vesting voor de Indiase bedrijven die een eigen pakket uitbrengen. “De marktposities worden allemaal ingenomen door bedrijven die helemaal of voor een groot deel in Amerika zijn gevestigd. Uitzonderingen als SAP en Baan zijn niche-spelers die op het juiste moment op de markt zijn gekomen. Bovendien heeft SAP een grote thuismarkt. De Europese markt is nog moeilijker te benaderen vanwege de taalverschillen. De enige markt waar Indiase bedrijven een kans maken, zijn diegene die de Amerikaanse bedrijven laten liggen zoals het Midden-Oosten en Afrika.”

Bangalore zou op concurrenten als Hyderabad, Bombay en Madras voorhebben dat door de hoge ligging het klimaat dragelijker is, en de stad een Europese sfeer ademt. Maar verborgen achter die inderdaad Europees aandoende brede lanen met hun imposante Britse gebouwen, bomenrijen en moderne winkels liggen dezelfde overvolle straten en stegen als in de andere Indiase steden. Bovendien trekt de relatieve economische voorspoed gelukzoekers aan en Bangalore heeft nu dan ook de twijfelachtige eer de grootste sloppenwijken van het land te herbergen.

Op weg naar het International Technology Park (ITP), vijftien kilometer buiten de stad, blijkt het dragelijk klimaat ook betrekkelijk. Achter in de scooter-taxi is het benauwd. Het is ruim dertig graden en de zon schijnt tien uur per dag. Dat heet hier winter.
Het ITP verrijst als een luchtspiegeling van glas en staal uit een rode zandvlakte. Boven op het dak van een van de torens staat een gigantische satelietschotel die de huurders via Internet, dedicated lines en videoconferencing verbindt met vestigingen of klanten overzee.. Enkele honderden meters verderop is een elektriciteitscentrale gebouwd die de bedrijven in het ITP onafhankelijk maken van de haperende stroomvoorziening van het plaatselijk nutsbedrijf. Inmiddels zijn er drie torens in gebruik genomen, terwijl er nog een tiental op de tekentafel liggen.

Het International Tech Park is een initiatief van een consortium van ondernemingen uit Singapore, de staat Karnataka en Tata Industries. Tata is een begrip in India. Deze industrie-gigant produceert alles van thee tot vrachtauto’s, en van zout tot software. Tata Consultancy Services (TCS) is India’s grootste IT-bedrijf en heeft vanzelfsprekend een vestiging in het ITP.

Vice-president Ramanan lacht bescheiden vanachter zijn bureau op de achtste verdieping. “Wij zijn naar omzet en omvang vijf keer zo groot als de grootsten van onze concurrenten. TCS heeft 11.000 werknemers en 59 internationale kantoren. We zijn gespecialiseerd in system-consulting en we bieden end-to-end oplossingen met name in de financiÎle sector, de communicatie wereld en de transportsector. We supporten van hieruit bijvoorbeeld de applicatiesystemen en ontwikkelactiviteiten van alle vestigingen van American Expressen en we implementeren nieuwe software. Dit Offshore Development Centre is bijna een verlengstuk van hun eigen IT-afdeling. We hebben zeven van dit soort centra in India. Elk centrum specialiseert zich op een specifiek platform. Zo doet Bombay de Tandem-mainframes, Delhi AS/400 en hier draait alles om IBM-mainframes.”

Thuismarkt
Toch vindt Ramanan de thuismarkt erg belangrijk. “Automatisering is nodig voor de economische ontwikkeling van ons land. Daarom zijn we erg actief op de binnenlandse markt ook al zouden we met dezelfde inspanningen in het buitenland veel meer verdienen. Ongeveer achttien procent van onze omzet genereren we in eigen land. Maar het is ook eigen belang. Wanneer je in het buitenland wilt groeien, moet de thuismarkt sterk zijn.”
Ondanks de enorme economische achterstand die India heeft ten opzichte van het Westen, gelooft Ramanan in een snelle inhaalrace. “India is in potentie een grote en gezonde markt voor IT. De komende vijf jaar gaan een doorbraak te zien geven. Alle bedrijven, en de overheid, zijn zich er van bewust dat automatisering noodzakelijk is. De grote bedrijven willen internationale spelers worden, ze hebben geen keus. Andere bedrijven krijgen internationale partners, die hun producten hier willen produceren. Ze moeten op hetzelfde niveau automatiseren als de buitenlandse concurrenten of partners. Dat biedt ook de andere Indiase IT-bedrijven de kans om te groeien.”

Ramanan denkt dat de internationale partners en buitenlandse investeerders genoeg vertrouwen hebben in het rendement om over de brug te komen. Bovendien ligt er volgens hem ook een taak voor de overheid. Hij is het niet eens met de kritiek dat overheidsinvesteringen in IT en infrastructuur ten koste gaan van de armoedebestrijding. “De overheid heeft geen keus. We zijn geen gesloten economie meer. Om te kunnen concurreren op de wereldmarkt moet je investeren. En dat heeft ook een positieve invloed op de werkgelegenheid. De ontwikkeling van Bangalore tot het Silicon Valley van India heeft ook een hoop werk opgeleverd in de infrastructuur, de bouw en de dienstverlening.”

Honderden mensen werken aan de verbreding van de weg die het ITP verbindt met het vliegveld en de stad. De mannen hakken met een hamer grote brokken natuursteen in puin, dat een onderlaag moet vormen voor het asfalt. Vrouwen dragen de zware last in manden op hun hoofd en verspreiden het voor de stoomwals. Deze ‘dalits’, de kastelozen, hebben werk, maar het loon is nauwelijks genoeg om het steeds duurder wordend eten van te kunnen kopen. Critici menen dat de snelle groei van de IT-sector de tweedeling in de samenleving alleen maar groter maakt.

Handen en voeten
Technology Informatics Design Endeavour (TIDE) is een van de weinige bedrijven in Bangalore dat zelf programma’s ontwikkelt. TIDE ontwerpt programma’s die handen en voeten moeten geven aan allerlei vernieuwingsprojecten in de ruimtelijke ordening en bijvoorbeeld de landbouw. Zo gebruikt de dienst Stadsontwikkeling hun Geographical Information System (GIS) voor het analyseren van demografische, infrastructurele, economische en het simuleren van verschillende planologische alternatieven.
Het kantoor van TIDE vindt onderdak op de bovenverdieping van een eenvoudig vrijstaand woonhuis in een stille straat in de wijk Maleswaram, ver weg van het centrum met zijn moderne kantoorgebouwen en overdadige ‘shopping-malls’.

Het weinige groen in de kleine voortuin is bedekt met een dun laagje geel stof dat de enkele scootertaxi die hier langs komt opwerpt van de onverharde weg. Tegenover het huis glimmen de tientallen felgekleurde beelden op een kleine tempel gewijd aan Ganesh, de populaire god met de olifantenslurf. Zeker vijftien mensen turen op computerschermen, staan gebogen over kaarten en tekeningen of zitten in een drukke bespreking in een van de vier kleine kamertjes die TIDE huurt van de familie op de begane grond.

Niks bijzonders, vindt Rajagopalan, voorzitter van TIDE. “Op elke bovenverdieping hier in de straat zit tegenwoordig wel een bedrijfje dat zich direct of indirect bezig houdt met software. Met een paar computers en een kamer kun je al aan de slag. Behalve dat er meer dan honderdduizend mensen direct bij de software bedrijven zelf werken, verdient een veelvoud zijn brood met het aanbieden van allerlei aanvullende diensten zoals scannen, kopiÎren, de handel in randapparatuur of bijvoorbeeld catering en koeriersdiensten. En natuurlijk met opleiden en trainen. In een omtrek van een vierkante kilometer zijn hier zeker vijfendertig scholen en trainingscentra te vinden.”

Corruptie
Vanzelfsprekend levert de cursus om de hoek geen ingenieurs af, weet Rajagopalan. “Na een cursus van drie tot dertig maanden krijgen de mensen een baan als leerling in een bedrijfje. Daarna stromen ze door. Naast de vijftienhonderd software-specialisten die er elk jaar van de universiteiten en hogescholen afkomen, volgen er zeker twintigduizend een opleiding bij de overige scholen.”

De laagste klasse komt echter niet aan bod, weet Rajagopalan. “De overheid heeft wel een paar gesubsidieerde scholen opgezet, maar door corruptie en kwaliteitsgebrek is daar niks van terecht gekomen. De privé-scholen die hiervoor een contract kregen waren niet gemotiveerd. En de bedrijven zijn niet geïnteresseerd om te participeren; de kweekvijver is tenslotte al groot genoeg.”

Wie denkt dat in ieder huishouden een pc te vinden is, heeft het mis, volgens Rajagopalan. Een eenvoudige computer kost ruim 30.000 roepies. “Dat is gelijk aan twee maandinkomens voor iemand uit de middle-class. Om een idee te geven: er zijn maar 115.000 telefoonaansluitingen onder een bevolking van vijf miljoen, waarvan het grootste deel bij bedrijven. Maar de computer is magie; het is een hype. De mensen merken heel direct de invloed van computer. Tot een paar jaar geleden koste het uren om een treinkaartje met stoelreservering te kopen naar Delhi of Calcutta. Daar moest achter het loket over heen en weer gebeld worden Nu gaat dat met een druk op de knop. Ook bij overheidsloketten en bijvoorbeeld het afnemen van examens gaat alles nu sneller en meer doorzichtig. Corruptie neemt duidelijk af daar waar computers staan. Dat geeft de mensen vertrouwen. Vergelijk het met het grenzeloze vertrouwen wat de mensen in Europa kregen na de ontdekking van penicilline.”

, ,


* * *

Naam
E-mail
http://
Bericht
  Textile hulp